Een reactie plaatsen

Wittgensteins filosofische onderzoekingen

Daar zijn we dan weer met Brams boekenclub. Deze keer de filosofische onderzoekingen van Ludwig Wittgenstein. Als ik bij familie of vrienden deze titel wel eens liet vallen was de eerste vraag altijd meteen iets als: “filosofische onderzoekingen waarvan dan?” En dat is aan de ene kant nog niet zo heel makkelijk te zeggen. Niks geen inleiding met onderwerpkeuze, stellingname en onderbouwende argumenten.  We gaan gewoon van korte paragraaf (soms maar 1 zin, zelden langer dan een pagina) naar korte paragraaf waarin het onderwerp langzaamaan steeds verandert. Aan de andere kant is het heel makkelijk, het hele boek gaat over taal, hoe wij taal leren, gebruiken, en de relatie tussen onze taal, onze gedachten en de “echte wereld”.

Heel korte biografische schets

Wittgenstein heeft bij zijn leven maar één boek uitgebracht, het tractatus logico filosoficus, en is vervolgens gestopt met de filosofie. Hij  had alles immers al dat ene boek gestopt. Ook toen ging het vooral over taal, namelijk dat onze taal eigenlijk niet precies genoeg was om zin van onzin te scheiden. Beroemdste zin van Wittgenstein is nog steeds “waarover men niet spreken kan, moet men zwijgen”.

Maar na een aantal jaren leraar te zijn geweest kwam hij toch weer terug bij de filosofie, maar nu met een andere boodschap. Jarenlang heeft hij aan dit boek gewerkt, toch is het pas postuum verschenen. Een eerste deel dat hij klaar had voor publicatie, maar vervolgens weer had ingetrokken. En een tweede deel dat wellicht was bedoeld om het laatste stuk van deel I te vervangen.

Leuk, maar wat wil hij nu zeggen?

Zoals gezegd is dat niet zo duidelijk, ik kan alleen maar zeggen wat ik er zelf uit heb gehaald. En dat lijkt ook precies de bedoeling te zijn geweest van Wittgenstein. Zoals hij in de inleiding zegt:

Ik wil niet met mijn geschrift anderen het denken besparen. Maar, zo mogelijk, iemand tot eigen gedachten aansporen.

En zo is het boek ook ingestoken. Er worden vragen opgeworpen, mogelijke antwoorden gegeven, en die mogelijke antwoorden worden meestal weer verworpen als zijnde te simpel. Onze taal is namelijk complexer dan de modellen van filosofen. Belangrijkste boodschap lijkt uiteindelijk te zijn dat de taal gelijk is aan hoe ze gebruikt wordt. Misschien een stukje uit paragraaf v van deel II wel een mooie samenvatting:

Het is hier als met de verhouding tussen een fysisch voorwerp en zintuiglijke indrukken. We hebben hier te maken met twee taalspelen, en de onderlinge relaties zijn gecompliceerd van aard. – Als je deze relaties tot een  eenvoudige formule terug wilt brengen gaat het mis.

Met enige regelmaat roept hij dan ook op om te stoppen met filosoferen, ook wordt de auteur van de tractatus soms in derde persoon tot de orde geroepen. Je moet je niet druk maken om wat een woord betekent, waar het naar refereert, maar naar hoe het gebruikt wordt.

Om een idee te geven wil ik twee stukjes meegeven.

Heeft Mozes bestaan?

In deel I, paragraaf 79 lezen we het volgende:

Beschouw dit voorbeeld: als je zegt ‘Mozes heeft niet bestaan’, kan dat verschillende dingen betekenen. Het kan betekenen: de Israëlieten hebben niet één leider gehad, toen ze uit Egypte trokken – of: hun leider heette niet Mozes – of: er heeft geen mens bestaan die al datgene volbracht heeft wat de bijbel over Mozes vermeldt – of etc. etc. – Volgens Russell kunnen we zeggen: de naam ‘Mozes’ kan door verschillende beschrijvingen worden gedefinieerd. Bijvoorbeeld als: ‘de man die de Israëlieten door de woestijn heeft geleid’, ‘de man die in die tijd en op die plaats heeft geleefd en toen “Mozes” werd genoemd’, ‘de man die als kind door de dochter van de farao uit de Nijl werd gehaald’, etc. En al naargelang we de ene of de andere definitie hanteren krijgt de zin ‘Mozes heeft niet bestaan’ een andere betekenis, en evenzo elke andere zin die over Mozes gaat.
[…]
Maar als ik een uitspraak over Mozes doe, – ben ik dan altijd bereid één van deze beschrijvingen, welke dan ook, voor ‘Mozes’ in de plaats te zetten? Ik zal bijvoorbeeld zeggen: onder ‘Mozes’ versta ik de man die gedaan heeft wat in de bijbel over Mozes wordt vermeldt, of in ieder geval veel daarvan. Maar hoeveel? Heb ik voor mezelf besloten hoeveel onjuist moet blijken te zijn, om mijn zin als onjuist op te geven?

Het is interessant hoe deze opmerking bijna één op één is te vertalen naar de vraag of god bestaat, waarbij het vooral belangrijk wordt wat voor god er dan wordt bedoeld. Van sommige godsbeelden kun je vrij makkelijk concluderen dat ze niet bestaan (bijvoorbeeld Zeus, of Jahweh voor zover die 6.000 jaar geleden onze aarde heeft gemaakt en al wat daarin is), maar anderen zijn weer zo vaag dat je er überhaupt weinig zinnigs over kan zeggen (god als energie die alles doordringt of zo, of de meer deïstische invulling van god).

Pijn

Zo tegen het einde (paragraaf xi van deel II) het volgende:

Wanneer ik iemand met een duidelijke oorzaak zie kronkelen van de pijn, denk ik toch niet: toch zijn zijn gevoelens verborgen voor mij.

We zeggen ook van iemand dat we hem doorzien. Maar in verband met deze observatie is het belangrijk dat een mens voor een ander een compleet raadsel kan zijn. Dat merk je wanneer je in een vreemd land met geheel vreemde tradities komt; en zelfs dan, wanneer je de taal van het land kent. Je begrijpt de mensen niet. (En niet omdat je niet weet wat ze tot zichzelf zeggen.) We kunnen onszelf niet in hen herkennen.

Hier een mooi voorbeeld van de stijl van het boek. Geen filosofisch jargon; wel veel voorbeelden uit het dagelijks leven; hij zegt interessante dingen waar je wel even over nadenkt; maar het punt dat hij wil maken is niet altijd duidelijk. Bovenstaande staat tussen andere stukjes die min of meer gaan over de vraag of je de gedachten en gevoelens van een ander kan weten of begrijpen. Het antwoord lijkt ja, maar er zijn ook grenzen aan. We kunnen anderen begrijpen voor zover we onszelf met ze kunnen identificeren.

Leuk… en dan?

Ja, wat moet je met dit soort observaties? Leer je hier echt wat van? Ja, ik denk het wel. Ik neem er zelf twee dingen uit mee. De wereld is complexer dan de wetenschappelijke modellen. Vervolgens is het een oproep om je studeerkamer uit te stappen en het echte leven in te stappen.

De filosofische onderzoekingen maken keer op keer het punt dat taal niet in definities en schema’s is te vangen. Beroemd is het voorbeeld dat er geen definitie van het woord “spel” is te geven, iedere poging daartoe sluit wel een bepaalde spelvorm uit. Schaken, voetbal, kinderspelletjes, ze zijn zo verschillend en toch allemaal spelletjes. Het belangrijkste punt lijkt namelijk te zijn dat een definitie ook helemaal niet nodig is, iedereen weer ook zo wel hoe hij het woord spel moet gebruiken. Daar gaat het om.

Vervolgens hebben we al gezien dat hij bij een aantal problemen ook stelt dat ze vooral ontstaan doordat filosofen er te theoretisch naar gaan kijken. In het praktische gebruik is het heel simpel, en dus moet je soms maar stoppen met filosoferen. Daarmee is het boek ook een oproep om je minder bezig te houden met theoretische zaken, en meer energie te steken in praktische zaken, in het echte leven.

Geen wonder dat de latere Wittgenstein een van de grote helden is van Richard Rorty. Het idee dat sommige filosofische problemen non-issues zijn die we achter ons moeten laten, het idee dat waarheid niet te achterhalen is, het idee dat eigenlijk alleen iets uitmaakt als het tot een praktisch verschil leidt en als laatste de filosofie die voornamelijk om onze taal draait, we komen het bij beide heren tegen. Bij Rorty wat meer als uitgewerkte ideeën, bij Wittgenstein in zijn bij vlagen fascinerende aforismen.

Conclusie

Ja, die hebben we dus eigenlijk al net gehad. De conclusie is dat dit vooral een boek is dat je zelf moet lezen, omdat de kans groot is dat jij er andere dingen uit oppikt. Zoals de beste man zelf al zei, het gaat er niet om dat hij je het zelf denken bespaart door je een oplossing te geven, hij wil je helpen in je denken door vragen op te roepen. Het zijn vast niet ieders vragen, en sommige stukken heb ik gelezen en kan ik me bijna niet meer herinneren. (Heeft misschien ook te maken met dat ik veelal na een werkdag in de trein op weg naar huis aan het lezen was.) Maar uiteindelijk is het een mooie oproep om in ieder geval soms even uit je ivoren toren te stappen, te stoppen met doordenken van de aloude filosofische problemen, en je met de wereld zelf bezig te houden. Zoals hij hij zelf ook een periode was gestopt met de filosofie en leraar op een basisschool was geworden.

Ik zal hem niet in zoverre navolgen dat ik helemaal ga stoppen met filosofie lezen, maar probeer wel de link met het normale leven meer in het oog te houden. En misschien is het voorlopig wel een punt achter de wel heel abstracte theologie. Maar goed, we zullen ook wel weer zien hoe lang dat duurt 😉

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: