Een reactie plaatsen

Hans Küng – Bestaat god? (2)

Vorige keer heb ik de eerste helft van het boek besproken, dat draaide voornamelijk om andere filosofen. Het liet zien dat mensen door op hun ratio te vertrouwen zijn gaan twijfelen aan het godsbeeld, aan het bestaan van god en uiteindelijk aan de waarde van het leven zelf. Conclusie was dat dit op Nietzsche gebaseerde nihilisme niet te weerleggen is, maar dat het ook niet te bewijzen is. De tweede helft van het boek is geweid aan een oplossing uit die impasse. Hij behandelt ontzettend veel onderwerpen in een toch nog beperkte hoeveelheid bladzijden. Ik zal dus eerst maar een samenvatting geven van de hoofdlijn van zijn betoog om vervolgens alleen wat grotere kritiekpunten te geven.

E: Ja tegen de werkelijkheid – een alternatief voor het nihilisme

Zoals gezegd was er geen uitkomst uit het nihilisme, er is geen doorslaggevend argument voor of tegen het nihilisme. Ik zou zeggen, bekijk dan de argumenten voor en tegen en kijk welke visie plausibeler is. Küng doet dat ook wel, maar pakt het iets anders aan. Allereerst zegt hij dat aangezien er geen dwingende rationele reden is om het ene of het andere spoor te volgen, het dus een keuze is. Een keuze van fundamenteel vertrouwen of fundamenteel wantrouwen in de hele wereld, in ons bestaan, in de samenleving. Een keuze die je overigens niet voor eens en voor altijd maakt, maar telkens opnieuw moet maken.

Vervolgens laat hij zien dat een fundamenteel vertrouwen zichzelf ook versterkt, omdat je ontdekt dat het gerechtvaardigd vertrouwen is. Maar het fundamentele wantrouwen spreekt zichzelf tegen, doordat iedereen zich alsnog beweegt in onze werkelijkheid en veel dingen doet zonder er bij na te denken, zonder kritisch de bedenken of dat eten en drinken nu echt wel nodig is, gewoon gaat slapen zonder te twijfelen of je nog wel wakker wordt en of de wereld dan nog wel hetzelfde is. Het fundamenteel vertrouwen is dus de meer plausibele keuze.

Interessant detail is trouwens dat hij ook de psychologische literatuur bespreekt die laat zien dat we min of meer in ons eerste jaar een basisvertrouwen opdoen. Dit lijkt dus een natuurlijke verklaring te zijn voor het basisvertrouwen dat we opdoen en bovendien het hele keuzekarakter ervan nogal te nuanceren. Küng legt die verbanden in het geheel niet, ook niet in het volgende deel.

F: Ja tegen god – een alternatief voor het atheïsme

Küng bespreekt de godsbewijzen, en stelt min of meer terecht dat ze niet sluitend zijn en alleen al gelovigen sterken in hun al bestaande geloof. Een ongelovige wordt er niet door overtuigd. Toch ziet hij in ieder bewijs wel een spoor van een openstaande vraag, en door daarop te wijzen zijn ze dus zeker niet waardeloos.

Maar wat zou er veranderen als god wel bestaat?

“Wie zijn wij?” […]

Als God bestond, dan zou de grote vraag te beantwoorden zijn, waarom wij zeer eindige gebrekkige wezens zijn en toch wezens van oneindige verwachting, hoop en verlangen.

“Waar komen wij vandaan?” […]

Als God bestond, dan zou de grote vraag te beantwoorden zijn, waar waterstof en waarde materie vandaan komt, waar de wereld, en waar de mens vandaan komt.

“Waar gaan wij naartoe?” […]

Als God bestond, dan was de grote vraag te beantwoorden, waar de mens en de mensheid, het mensenleven en de geschiedenis heengaan.

p. 607-608

En dan staan we vervolgens weer min of meer op hetzelfde punt als in deel E: het atheïsme is niet te weerleggen en niet te bewijzen. Het is dus een keuze. En net zoals het fundamenteel vertrouwen een streepje voorhad op het fundamenteel wantrouwen ziet Küng dat ook voor het bestaan van god ten opzichte van het niet bestaan van god. Als god bestaat kan hij namelijk dienen als grond voor het fundamenteel vertrouwen, dat fundamentele vertrouwen blijft voor de atheïst namelijk onfundeerd. Daarmee is de theïst dus ook rationeler dan de atheïst.

Wat bij mij de vraag doet opkomen of het inderdaad net zo makkelijk is om ervoor te kiezen dat de werkelijkheid die wij waarnemen echt is, als om ervoor te kiezen dat god die wij niet kunnen waarnemen echt bestaat?

G: Ja tegen de christelijke god

In eerste instantie kijkt Küng naar de chinese en boeddhistische religies. Bij de chinese heeft hij het voornamelijk over de problemen van christelijk zendelingen om de juiste chinese woorden te vinden. Bij de boeddhistische gaat het ook voornamelijk over de mogelijkheid tot een toenadering tussen christendom en boeddhimse. Eerst geeft hij aan dat het boeddhisme goed aansluit bij het huidige wereldbeeld.

Desondanks blijken moeilijkheden, om het boeddhisme te begrijpen bijna onoverkomelijk:

Ten eerste: Veel woorden betekenen in het oosten iets anders dan in het westen. […]

Vervolgens: Veel interpretaties van dezelfde begrippen en voorstellingen wijken in het oosten onderling nog meer af dan in het westen: De tegengestelde interpretaties van het “kleine vaartuig” (“Hinanyana-boeddhisme”) en het “grote vaartuig” (“Mahayana-boeddhisme”) hebben vaak tot contradictorische leren en praktijken gevoerd, die gaan vanaf een massief geloof in afgoden naar de subliemste filosofie. En de boeddhistische subjectiviteit met haar nadruk op de individuele verlichting heeft een eensluitend antwoord ook niet direct bevorderd.

p. 639

Dan hebben we de andere goden gehad en spreekt hij over de god van de bijbel, ofwel voorlopig alleen het oude testament. Dat die god volgens de bijbel eerst de belangrijkste en vervolgens de enige was, dat die god een naam heeft en zijn eigenschappen laat zien in wat hij doet. En dan komen ook de echte vragen naar boven:

Welke is de ware God? Is hij in de oorspronkelijke, primitieve religies te vinden of in de hoogontwikkelde? In de langzaam gegroeide of de gestichte? In de mythologische of de door rationaliteit verlichte? Bestaan er dus meer goden: polytheïsme? Of onder de vele goden één hoogste god: henotheïsme? Of misschien één enkele God: monotheïsme? Is God boven of buiten alles: deïsme? Of is God alles: pantheïsme? Of is God in allen: panentheïsme? Men kan er niet langs, onderscheid te maken en te kiezen. Maar het gaat niet om een willekeurig kiezen, maar om een voor het verstand verantwoorde geloofsbeslissing. Een godsdienst kan met immers ook niet gewoon “maken”. Wij hebben – bij alle respect voor de andere godsdiensten – redenen aangegeven, waarom wij kiezen voor de God van Israël, de God van de bijbel, en dit zal later nog duidelijker worden.

p. 672

Wat dus te zeggen over andere godsdiensten? Mensen kunnen er wel het eeuwige heil vinden, maar niet de waarheid, want die is exclusief het domein van de christelijke godsdienst.

Vervolgens kijken we naar de verhouding tussen god en de wereld. God kan worden gezien als oorsprong van de oerknal. De wereld verloopt verder volgens de natuurwetten, de mens is dan ook een product van evolutie, ook in zijn geestelijke eigenschappen. Küng is wat de mens betreft dus een materialist. Wonderen zijn dan vervolgens ook geen bovennatuurlijk ingrijpen, want de wonderverhalen zijn geen letterlijke historische gebeurtenissen, Küng volgt zonder kanttekeningen het historisch-kritische bijbelonderzoek. God zal ten slotte de wereld “voleinden” en geeft een fundering voor de ethiek.

Als laatste de god van Jezus Christus, dus over het godsbeeld in het nieuwe testament. In tegenstelling tot het oude testament is die god van al zijn kwade aspecten ontdaan, hij is alleen nog maar liefde. Door de opstanding van Jezus (wederom, niet te bewijzen of te bewijzen dat het niet zo was) weten we dat het niet ophoudt na de dood:

Ofwel ik ga door de dood het niets binnen: […] Maar eerlijk: redelijk schijnt mij deze mogelijkheid – wij denken terug aan wat gezegd is over het einde der wereld – helemaal niet.

Ofwel ik ga door de dood die allerlaatste werkelijkheid binnen, die dan ook de allereerste, de ongrijpbaar-omvattende meest werkelijke werkelijkheid is, die wij God noemen […] Dat ik niet door de dood het niets, maar in God binnenga, ja, dat komt mij volstrekt redelijk voor.

Hoe kan ik zo’n vertrouwen voor mijn verstand verantwoorden? Als ik in zoiets als “opstanding” geloof, dan geloof ik niet in bepaalde niet te verifiëren curiositeiten. Maar ik geloof in God en weet waarom. Dat God Jezus van Nazareth voor de gelovigen niet in de dood heeft gelaten, maar heeft opgewekt, rechtvaardigt mijn vertrouwen in hem ook voor mij.

p.  729-730

En was Jezus god? Eigenlijk is zijn antwoord nee. Maar het is wel weer zo dat christenen god niet meer los zien van Jezus, Jezus was in heel zijn leven, leren, dood en opstanding de definitieve openbaring van god. En zo is de hele drieëenheid te zien. Christenen ervaren god nog steeds op aarde, nabij, ook nu Jezus er niet meer is. Dat is de heilige geest.

na dit alles zal men begrijpen, waarom nu op de vraag “Bestaat God?” een voor het kritische verstand te verantwoorden, helder, overtuigd ja als antwoord kan worden gegeven.

p. 754

Twee-zinnen-samenvatting

We zijn zo door het hele boek heengelopen. Misschien goed om nog even een heel korte samenvatting te geven. Küng neemt de sceptische route: sinds Descartes is iedereen op zoek naar echte zekerheid, 100% zekere kennis, een manier om feilbare meningen te scheiden van echte kennis. Godsdienst had die zekerheid niet geboden, en ondanks het optimistische geloof van Descartes en veel mensen in de verlichting kan wetenschap dergelijke zekerheid ook niet bieden. Om niet in nihilisme te vervallen stelt Küng dat we moeten kiezen, voor een fundamenteel vertrouwen dat als fundament kan gelden voor het vertrouwen dat we in ons normale leven hebben, voor een god die dat fundamentele vertrouwen weer fundeert, en uiteindelijk zelfs voor de christelijke god… omdat je de bijbel kan herinterpreteren totdat alle problemen die wij modernen ermee hebben als sneeuw voor de zon zijn verdwenen.

Kritiek

Zeker deze tweede helft zijn er massa’s detaildingen waar ik wel zo mijn vraagtekens bij heb, maar ik zal me beperken tot een paar hoofdzaken die ook inhaken op de hoofdlijn uit zijn betoog.

Fundering fundering fundering

Het zal de oplettende lezer niet ontgaan zijn, het werkwoord funderen is ontzettend vaak gevallen. Ondanks dat Küng namelijk inziet dat er geen 100% zekerheid mogelijk is, blijft hij wel hangen in het epistemologische foundationalisme (zegt deze term je niks, dan heb je hier wellicht iets aan). Om iets kennis te noemen of om ergens in te geloven wil hij het liefst 100% zekerheid hebben, wat betekent dat het gebaseerd moet zijn op zaken die op zichzelf weer 100% zeker zijn. En zo kom je dus aan bij je fundering van alles, waar je hele bouwwerk van overtuigingen op is gebaseerd.

Daarbij gaat hij dus voorbij aan het coherentisme, dat de nadruk legt op de onderlinge banden tussen je overtuigingen en kennis. Meer een web van overtuigingen. Dat is allemaal niet 100% zeker, het verandert continu en zelfs zaken die in het hart van het web zitten kunnen er uiteindelijk uitvallen. Dat betekent dat we niet zozeer een keuze maken van deze of gene fundering van onze overtuigingen, maar dat onze overtuigingen helemaal geen fundament hebben. Dat ze alleen in zoverre overtuigend zijn als ze goed samengaan met onze andere overtuigingen, dat we ze op hun directe plausibiliteit toetsen. En dat maakt inderdaad dat het hele keuze-element er uit lijkt te vallen.

Keuze? En toch waarheid?

Bovendien werkt hij het sowieso nogal raar uit. Hij geeft aan dat al zijn overtuigingen niet te bewijzen of weerleggen zijn, dus is  het een keuze. Alsof we niet met argumenten linksom of rechtsom een inschatting kunnen maken van de plausibiliteit van een bepaalde stelling of een bepaald geloof.

Maar zelfs als het een keuze is, een keuze is per definitie een individueel iets. Hoe kan het dan dat hij ook zo vast blijft houden aan het objectieve bestaan van god? Aan dat het christendom waar is, in tegenstelling tot andere godsdiensten? Een keuze van een mens is toch niet van invloed op waarheid of op het al dan niet bestaan van god? Als hij nu zou zeggen dat hij er daarom in gelooft, prima, maar de stap om vervolgens te concluderen dat het echt zo is, die kan hij volgens mij niet maken.

Waarom iets en niet niets?

Deze vraag van Leibnitz blijft terugkomen in het boek. Zelfs als we in een fundamenteel vertrouwen deze wereld waarin wij leven voor werkelijkheid aannemen kunnen we die niet oplossen. Als we ook in god gaan geloven dan is dit probleem opgelost. Waarom? Omdat we de wereld dan als schepsel van god kunnen verklaren. Maar het lijkt kijk Küng niet op te komen dat we dezelfde vraag ook over god kunnen stellen: waarom is er god en niet geen god? God is voor Küng blijkbaar iets waar het vragenstellen ophoudt, je kan altijd overal op doorvragen waarom iets zo is, behalve als we bij god zijn uitgekomen. Dan lijkt zelfs de hoe-vraag al niet bij Küng op te komen, laat staan de waarom-vraag.

God als fundering van de ethiek

Ditzelfde zien we bijvoorbeeld ook terugkomen als het gaat over ethiek. Ethiek kan worden gefundeerd door het fundamentele vertrouwen en dus ook op god. En beter nog op de christelijke god:

Zelfs bij zo elementaire vragen als liefde en haat kan men zich immers afvragen: Hoe moet ik eigenlijk funderen, waarom ik niet moet haten, maar liefhebben? Is de haat, louter wetenschappelijk (en vaak ook economisch) beschouwd, eenvoudig slechter dan liefde? […] Waarom zou oorlog niet net zo goed of slecht zijn als vrede, vrijheid net zo goed of slecht als onderdrukking?

Ja, wat kan ik hier nu van zeggen? Als je dit inderdaad niet begrijpt, maar daar een god voor nodig hebt, hoe kan het dan dat je bij god geen vragen meer stelt? Waarom hoeft god niet gefundeerd te worden? Is de god van Hans Küng uiteindelijk toch een god van de gaten?

Voorspellingen

Dan toch nog een kleinere: Küng heeft het bij de atheïsten die hij bespreekt (Feuerbach, Marx, Freud en Nietzsche) steeds weer over de voorspellingen van ze die niet zijn uitgekomen. Alle vier hebben ze het einde van de religie voorspeld, en dat is niet gekomen. Hij concludeert daar nooit direct iets uit, maar het is wel een punt dat hij een aantal keer terug laat komen.

Des te opvallender is het dat Küng die toch netjes alle historisch-kritische bijbelinterpretaties volgt het nooit heeft over het apocalyptische gehalte van het NT, hoe zowel Johannes de Doper als Jezus als Paulus heel duidelijk het einde van de wereld in hun eigen generatie of die daarna hebben voorspeld. Ook die voorspellingen zijn niet uitgekomen… moeten we dit dan ook zien als een falsificatie van hun ideeën?

Conclusie

Mooi boek. Tjokvol informatie en leuke, verrassende inzichten. Toch is het boek voor mij persoonlijk verre van overtuigend. Ten eerste omdat ik hem soms gewoon niet kan volgen of begrijpen. Zijn kritieken zijn helder en scherp, maar zodra hij over god gaat praten vliegen zinsneden als “de werkelijkste werkelijkheid” of “het absolute in het relatieve” je om de oren en ik begrijp dan even echt niet meer waar hij het over heeft. Misschien heeft hier ook wel mee te maken dat hij bij god of aan god geen vragen meer stelt. Je kan overal vragen bij stellen, en puur de mogelijkheid van vragen stellen maakt al dat iets een verklaring, of nog beter een fundering, nodig heeft. Behalve god, terwijl dit boek er toch getuige van is dat god bij uitstek iets of iemand is waar vragen over gesteld worden.

Wat ook problematisch is, is dat hij impliciet uitgaat van het foundationalisme, wat in de huidige epistemologie min of meer achter is gelaten en vervangen door een coherentisme. Daardoor speelt ook het vraagstuk van de 100% zekere kennis niet meer zo, een vraagstuk dat door dit hele boek heenloopt, een boek dat niet geheel toevallig begint met een bespreking van Descartes en uiteindelijk vooral aansluit bij diens tijdgenoot Pascal.

Daarmee is zijn uiteindelijke antwoord misschien niet overtuigend, maar de weg er naartoe was prachtig.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: