1 reactie

Kuitert – Wat heet geloven (3)

Uit! Zie deel 1 en deel 2 voor de inhoud van de eerste 10 hoofdstukken. Nu volgt er nog de institutionele kijk op geloven, en twee hoofdstukken over openbaring.

Geloven: institutionele aanpak

Kort recapitulerend, mensen hebben oergeloof, een soort algemeen vertrouwen in de toekomst, en dit oergeloof uit zich historisch in zoekontwerpen, dat is een aangekleed oergeloof dat de fundering geeft van dat oergeloof. Kuitert ziet alle godsdiensten als dergelijke zoekontwerpen. In principe is zo’n zoekontwerp iets van het individu, iedereen zal een verschillend godsbeeld hebben, maar toch zien we dat godsdiensten een collectief gebeuren zijn. Dit komt omdat mensen niet zelf een zoekontwerp in elkaar knutselen, maar kiezen uit geprefabriceerde vormen en formuleringen. Dit komt mede doordat een zoekontwerp aan geloofwaardigheid wint als meerdere mensen erin geloven, wat betekent dat een hoogst individueel zoekontwerp lastig kan dienen als fundering van het oergeloof, omdat het geloofwaardigheid mist.

Vorige keer hebben we gezien dat een zoekontwerp voortkomt uit ervaringen in het verleden, maar ook nu door ervaringen kan worden bijgesteld, zelfs moet worden bijgesteld door ervaringen, omdat het anders zijn waarde kan verliezen. De institutionalisering van het zoekontwerp brengt echter ook verstarring met zich mee. Een officiële of officieuze kerkleer is daarmee een noodzakelijke, maar geen voldoende, voorwaarde voor dwang. “Leerdwang heeft zich in de geschiedenis van de christelijke kerk een verbijsterend grote plaats verworven.” Hoe komt dit?

Er zijn twee punten aan te wijzen. Ten eerste zorgen ingrijpende historische veranderingen er voor dat de ervaringswereld van mensen verandert. Hierdoor kan een bestaand zoekontwerp zijn kracht verliezen, en zijn mensen met dat zoekontwerp niet meer in staat om god te vinden. Het tweede is dat leerdwang en leertucht als instrument worden gebruikt om de christelijke waarheid te handhaven. Kuitert pleit er dus voor om het zoekontwerp nadrukkelijk ook de status te geven van maar een zoekontwerp, en niet de waarheid. Op die manier is het namelijk mogelijk om het zoekontwerp aan te passen zonder dat dit leidt tot een conservatieve tegenreactie waarbij leerdwang en tucht worden ingezet om de waarheid te behouden.

Vervolgens is er aandacht voor de verhouding tussen instituut en individu. Waarom kan het botsen, ook als er niet sprake is van tijden van grote historische veranderingen?

[I]nstituten scheren alle enkelingen over één kam, als waren ze allemaal toegerust met dezelfde scala en intensiteit van behoeften, dezelfde wilskracht, dezelfde intelligentie, hetzelfde geloof enz. In werkelijkheid is dat natuurlijk niet zo.

Kuitert noemt individualiteit een scheppingsgegeven dat in ere gehouden moet worden. Het instituut moet daar dus flexibel in zijn. Tegelijkertijd moet ook het individu inschikkelijk zijn naar het instituut, omdat de enkeling ook zelf weer afhankelijk is van het instituut. Maar als het echt niet gaat? Kun je ook zonder kerk geloven? Ja, het kan, maar het is altijd een gemis. En mens krijgt zijn zoekontwerp aangereikt vanuit het instituut, en kan het ook toetsen en aanscherpen door het delen van ervaringen met medegelovigen.

Er is géén andere manier om te ontdekken of het zoekontwerp nog goed is `afgesteld’, ons bij God brengt of nergens, dan doordat mensen vertellen wat ze werkelijk geloven, dat wil zeggen: wat uit heel het bonte prentenboek van het zoekontwerp – de cumulatieve ervaring uit het verleden – werkelijk bevestigd werd  door persoonlijk mee te maken ervaring in het heden. Zelfs als mensen dan zouden moeten opbiechten dat ze de God van de leer nergens terugvonden in het leven, zou dat een stap vooruit zijn: met het zoekontwerp hebben ze (tot nu toe) blijkbaar niets gevonden.

Kuitert pleit dus voor een kerk zonder dwang, met een open gesprek, niet over wat we moeten geloven, maar over wat we werkelijk nog geloven.

Openbaring: `How do you know?’

Hier eindigt het beschrijven van wat geloof precies is. Wat nog wel hieraan raakt is de vraag How do you know? Een zoekontwerp kun je zien als een verzameling proposities over god, maar hoe weten we dat die proposities waar zijn? In het voorgaande is laten zien waar ze vandaan komen, en dat ze uiteindelijk teruggaan op ervaringen van mensen. Veel van de huidige theologie is echter gebaseerd op Karl Barth, die daar een heel andere kijk op had. Barth heeft de theologie losgesneden van onze ervaringswereld. Dit gaf allemaal problemen als de bijbel niet historisch betrouwbaar is, en met tegenstrijdige ervaringen. Daarom was zijn startpunt de “onophefbare subjectiviteit van god”, die zich direct en onbemiddeld (dus niet via de geschiedenis) aan ons openbaart. Hij begint dus met het christendom, en systematiseert het, maar de How do you know?-vraag laat hij niet alleen onbeantwoord, hij verklaart dit een oneigenlijke vraag. Hierom is zijn theologie ook wel gekenmerkt als een gebouw zonder deur.

Het lijkt mij toe dat hier de aantrekkelijkheid van de inzet van Barth’s theologie is gelegen: er wordt een weg gewezen die (weer) ruimte biedt voor actie, leven, radicaliteit zonder dat er vooraf aan de doodvermoeiende eisen van een theorie – dat wil zeggen: eisen van verantwoording aan anderen – voldaan hoeft te zijn. Christenen leven direct en onmiddelijk vanuit God, of zoals men in navolging van Barth gaarne zegt: vanuit de werkelijkheid van Gods openbaring in zijn voorrang op de mogelijkheid daarvan.

Het zit allemaal vrij ingewikkeld in elkaar, en ik pretendeer niet dat ik het helemaal snap. Ik zie alleen wel lijnen van deze theologie naar de kerken van nu. Veel preken zijn naar binnen gericht, niet op een open gesprek met de samenleving. Vaak gaat het om een uitleg van een enkel bijbelvers, en dit bijbelvers wordt daarbij als een gegeven beschouwd. Het historisch-kritisch onderzoek doet namelijk niet ter zake, omdat god zich niet toen in de historische context heeft geopenbaard, maar omdat hij zich nu direct aan ons openbaart.

Kuitert vindt deze openbaringsleer echter onhoudbaar. Barth creëert namelijk een uitzonderingspositie voor het christendom zonder goed uit te (kunnen) leggen waarom dat zo is. Gevolg is dat het gesprek met niet-christenen onmogelijk wordt. Bovendien wordt de hele theologie zo buiten de wetenschap gezet, omdat het totaal losstaat van de empirische werkelijkheid. Als laatste kunnen we zien dat Barth openbaring en geschiedenis tegen elkaar uitspeelt, terwijl Kuitert juist heeft laten zien dat een zoekontwerp historisch wordt gevormd door ervaringen waar mensen god in hebben gevonden:

ervaring is het waarop christenen zich beroepen voor hun kennis van God omdat (cumulatieve) ervaring de weg is waarlangs de christelijke kerk tot deze (ontwerp) kennis is gekomen. […]

wij kennen God bemiddeld door de (onze) geschiedenis; maar dat laatste betekent niet, zoals Barth hardnekkig suggereert dat dan de geschiedenis (lees: onze historische ervaring) God schept. Het betekent: wij hebben geen andere kennisweg dan die bemiddeld is door ervaring.

Openbaring is niet een toverwoord dat ons voorbij alle vragen helpt, dat god zich openbaart is zelf ook een geloofsuitspraak. De proposities van het christendom zijn dus niet geopenbaard, maar bevatten het geloofsontwerp van de christenheid. Dit ontwerp is gebaseerd op de cumulatieve menselijke ervaring, dat wacht op de definitieve bevestiging van dit ontwerp vanuit de ervaring.

Conclusie?

Die wacht nog even, eerst slapen.

Advertenties

Eén reactie op “Kuitert – Wat heet geloven (3)

  1. […] drie eerdere posts heb ik de inhoud van het boek Wat heet geloven van Harry Kuitert besproken. Nu nog een laatste post […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: