2 reacties

Kuitert – Wat heet geloven (2)

Ik ben inmiddels een stuk verder in wat heet geloven, dus het is tijd voor een nieuwe update. Om niet te zeggen, een beetje aan de late kant, want wat staan er vele meldenswaardigheden in dit toch niet bijster dikke boekje (232 blz.). Wat dus zoveel wil zeggen als dat ik onder de indruk ben. Aanrader voor iedereen die enigszins in deze materie is geïnteresseerd. Hij is trouwens niet meer nieuw te verkrijgen bij boekhandels, maar via antiqbook.com of boekwinkeltjes.nl is hij voor slechts een paar euri in huis te halen.

Zie hier voor het eerste deel in deze serie. We hebben vorige keer het min of meer inleidende deel besproken. Nu volgt de eigenlijke bespreking van wat geloven nu is, en wel in drie delen: antropologisch, historisch, en institutioneel. Ik heb de eerste twee daarvan inmiddels gelezen en zal daar nu iets over vertellen.

Geloven: antropologische aanpak

Eerst dus de antropologische kijk op geloven. Dit is namelijk iets dat alle mensen delen, dus op de basis van zo’n “antropologisch vloertje” kan een zinvol gesprek plaatsvinden tussen christenen en niet-christenen. Deze opzet voorkomt dus dat theologie een bouwwerk zonder deur wordt, zoals de theologie van Karl Barth wel is.

Mensen zijn zin-ervarende en zin-gevende wezens. Het verschil tussen mensen en dieren is namelijk (met de nodige kanttekeningen) dat dieren voornamelijk uit instinct handelen, en mensen rationele wezens zijn. Wij geven onze handelingen dus zin, en wel door ze een deel te laten zijn van een groter geheel. Zo’n groter geheel maakt op zijn beurt ook weer deel uit van een nog groter geheel, enzovoort, totdat het punt komt dat wij mensen niet meer in staat zijn om het grotere geheel te overzien. Hier loopt het rationeel beslissingen maken dus vast, en is er dus iets anders nodig om überhaupt tot handelen te komen. Dit noemt Kuitert oergeloof.

Oergeloof is “allereerst een zekerheid gevend geloof”. Het is ook “inpliciet geloof in de zin dat het ingevouwen ligt in het menselijk handelen.” Ten derde is oergeloof “een permanent aangevochten geloof in deze zin dat het zich moet handhaven tegen alle mislukkingen van het menselijk handelen in”. Laat ook duidelijk zijn dat oergeloof niets christelijks in zich heeft, maar dus juist door alle mensen wordt gedeeld. Laatste opmerking over oergeloof is dat het een in de kern een heilsgeloof is, “geloof in de goede afloop van de onderneming”.

Interessant is dat hij in een volgend hoofdstuk een studie van Gerhard Ebeling aanhaalt die beargumenteert dat Jezus (volgens de synoptische evangeliën) juist op deze algemene/universele/niet-specifieke wijze over geloof praat. Als Jezus het heeft over kleingelovigen, of dat geloof bergen kan verzetten, of dat geloof iemand behouden heeft bij een genezing. Het gaat nooit om het geloven van dingen over Jezus: geboren uit de maagd Maria, geleden onder Pontius Pilatus, gestorven en begraven, enzovoort.

Geloven: historische aanpak

Vanuit de antropologie kwamen we op het idee van oergeloof. Dit oergeloof komen we nooit tegen in pure vorm, maar altijd “historisch aangekleed”. Een godsdienst is dus aangekleed oergeloof:

van hieruit kunnen we godsdiensten zien als – globaal gesproken – historisch gegroeide, in de loop van de geschiedenis aankorstende en door traditievorming zich verstijvende netwerken van mythen, riten en mores, die elk op hun eigen wijze a) de ondoorzichtigheden expliciet gemaakt hebben waarop een mens met zijn onuitroeibaar oergeloof dreigt stuk te lopen en b) op deze ondoorzichtigheden een antwoord hebben gegeven dat het oergeloof tegelijk bevestigt en fundeert.

Dus om het oergeloof bespreekbaar te maken moet het zich wel uitdrukken in proposities, of is-zinnen.

Dit roept meteen vragen op over hoe dit dan werkt, en waarom er verschillende religies zijn. Kuitert wil niets weten van het idee dat alle godsdienst creatieve inbeelding is, net zomin als dat alle niet-christelijke godsdiensten zouden berusten op misleiding door Satan, verblinding voor de echte waarheid, of domweg bedrog. Het antwoord dat dan overblijft heeft te maken met ervaring. Daarom eerst een kleine uitweiding over ervaring en interpretatiekader.

Ervaringen krijgen vorm door middel van een interpretatiekader waar ze in vallen. Zonder interpretatiekader is ervaring zelfs niet mogelijk. Het interpretatiekader heeft dus altijd voorrang boven dat zich direct aanbiedt aan onze zintuigen. Ingewikkeld wordt het weer dat een interpretatiekader uiteindelijk ook is opgebouwd uit ervaringen, niet alleen de ervaringen van een persoon zelf, maar ook die van ouders, opvoeders, leraren, alles wat iemand aangeleerd krijgt en zijn interpretatiekader vult is uiteindelijke weer gebaseerd op ervaringen. Hieruit volgt dat een interpretatiekader nooit een constant gegeven is, nieuwe ervaringen kunnen een interpretatiekader dus bijstellen en aanpassen.

Kuitert stelt met een verwijzing naar Johannes 1:18 dat niemand ooit god heeft gezien. We komen slechts sporen van god tegen in onze ervaringen. Door deze indirecte manier van kennen van god kunnen we een godsdienst een zoekontwerp noemen. Dit zoekontwerp werkt als een interpretatiekader, waardoor we de sporen van god in onze ervaringen kunnen herkennen. Ze “dienen [ervoor] de gelovigen te laten vinden, en wel: die God en Zijn heil […] die in het zoekontwerp werd uitgetekend”. Hieruit volgt het het volgende:

wat iemand vindt, hangt van het zoekontwerp af. Deze stelling sluit in: een `verkeerd’ zoekontwerp doet je een `verkeerde’ god ontmoeten. Hij sluit ook in: een achterhaald zoekontwerp maakt dat je niets meer vindt.

Kuitert laat zien dat ook de Joods-christelijke traditie binnen de bijbel al een ontwikkeling meemaakt waarbij het zoekontwerp wordt aangepast. Ook het christendom zouden we kunnen zien als een aanpassing van het Joodse zoekontwerp, waarbij de belangrijkste aanpassing is dat het nu een religie is voor heel de wereld, en niet alleen voor de Joden. Daar heb ik zelf ook al eens iets over geschreven.

Conclusie

Godsdiensten zijn zoekontwerpen, die helpen om de sporen van god in onze wereld te herkennen. Ze zijn ook aangekleed oergeloof, wat wil zeggen dat ze als kern hebben dat ze zekerheid, en vertrouwen in de toekomst geven. Dit oergeloof moet aangekleed worden met proposities of is-zinnen om dit oergeloof te funderen.

Deze twee ideeën zijn heel krachtig, en kunnen veel kenmerken van godsdiensten verklaren. Toch ziet Kuitert ook binnen deze volstrekt menselijke processen nog genoeg ruimte voor een reële god.

Advertenties

2 reacties op “Kuitert – Wat heet geloven (2)

  1. […] Zie deel 1 en deel 2 voor de inhoud van de eerste 10 hoofdstukken. Nu volgt er nog de institutionele kijk op geloven, en […]

  2. […] drie eerdere posts heb ik de inhoud van het boek Wat heet geloven van Harry Kuitert besproken. Nu nog een […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: