4 reacties

Opstanding: Hume over wonderen

Welkom bij deze serie over de opstanding van Jezus. Een overzicht van verschillende posts kun je hier vinden. Vorige keer hebben we niet veel meer gedaan dat gezegd dat een wonder een gebeurtenis is waarvan de kans dat het gebeurt extreem klein is. Hoe kleiner de kans, hoe groter het wonder.

Deze keer gaan we kijken naar hoe we kunnen vaststellen dat een wonder daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit doen we voornamelijk aan de hand van een argument van de Schotse filosoof David Hume over wonderen.

Camera’s

Hume leefde in de 18e eeuw, dat is voor zijn argument ook belangrijk. Er waren toen namelijk nog geen fotocamera’s, videocamera’s of ander manieren om gebeurtenissen min of meer objectief vast te leggen. Het enige bewijs voor een wonder was een ooggetuigenverslag.

Hume kwam eigenlijk met niets meer dan de simpele vraag: “welke kans is groter, dat de ooggetuige het verkeerd heeft gezien of zelfs liegt, of dat het wonder daadwerkelijk is gebeurd?” Zijn conclusie is dat voor ieder persoon, hoe betrouwbaar ook, er een wonder is dat zo onwaarschijnlijk is, dat we niet zouden moeten geloven als die persoon vertelt het zelf te hebben gezien.

Hierover schreef hij zijn beroemde essay “On Miracles”, de volledige tekst is hier te vinden op het internet. Het bestaat uit twee delen, in het eerste deel legt hij dit principe uit met de volgende conclusie:

The plain consequence is (and it is a general maxim worthy of our attention), “that no testimony is sufficient to establish a miracle, unless the testimony be of such a kind, that its falsehood would be more miraculous, than the fact, which it endeavors to establish; and even in that case there is a mutual destruction of arguments, and the superior only gives us an assurance suitable to that degree of force, which remains, after deducting the inferior.” When anyone tells me, that he saw a dead man restored to life, I immediately consider with myself, whether it be more probable, that this person should either deceive or be deceived, or that the fact, which he relates, should really have happened. I weigh the one miracle against the other; and according to the superiority, which I discover, I pronounce my decision, and always reject the greater miracle. If the falsehood of his testimony would be more miraculous, than the event which he relates; then, and not till then, can he pretend to command my belief or opinion.

Hebben er wonderen plaatsgevonden?

In het tweede deel probeert hij via dit argument aan te tonen dat er geen wonderen plaatsvinden. Het is voor mij lastiger om hier precies zijn punt te begrijpen, maar het volgende gedeelte wil ik jullie nog wel even meegeven:

I beg the limitations here made may be remarked, when I say, that a miracle can never be proved, so as to be the foundation of a system of religion. For I own, that otherwise, there may possibly be miracles, or violations of the usual course of nature, of such a kind as to admit of proof from human testimony; though, perhaps, it will be impossible to find any such in all the records of history. Thus, suppose, all authors, in all languages, agree, that, from the first of JANUARY, 1600, there was a total darkness over the whole earth for eight days: Suppose that the tradition of this extraordinary event is still strong and lively among the people: That all travellers, who return from foreign countries, bring us accounts of the same tradition, without the least variation or contradiction: It is evident, that our present philosophers, instead of doubting the fact, ought to receive it as certain, and ought to search for the causes whence it might be derived. The decay, corruption, and dissolution of nature, is an event rendered probable by so many analogies, that any phenomenon, which seems to have a tendency towards that catastrophe, comes within the reach of human testimony, if that testimony be very extensive and uniform.

Hier zegt hij (volgens mij) dat er wonderen niet zozeer onmogelijk zijn (zoals ook ik vorige keer ook heb betoogd), maar wel dat de kans heel erg klein is. Maar, als het bewijs maar groot genoeg is, dan kunnen we toch aannemen dat het gebeurd is. Zoals zijn voorbeeld van de 8 dagen duisternis, belangrijk punt is dat 1600 toen Hume zijn essay  schreef al bijna 150 jaar geleden was.

Wonderen aantonen

Om dus aan te tonen dat er een wonder is gebeurd moeten we op twee dingen letten: de a-priori kans van het wonder en het bewijs dat er is voor het wonder.

Het bewijs is bij Hume alleen de ooggetuigenverslagen, maar het kan natuurlijk ook om andere dingen gaan. In onze tijd kunnen we foto’s en DNA-sporen en zo gebruiken. Maar ook in vroeger tijden kan een wonder gevolgen hebben gehad die sporen hebben nagelaten. Bij Jezus’ opstanding hebben we natuurlijk die evangelies die gebaseerd zouden kunnen zijn op ooggetuigenverslagen, maar daarnaast wordt ook vooral gewezen op het lege graf en de verschijningen aan de discipelen als bewijs.

Maar wat is die a-priori kans precies? De a-priori kans is de kans dat het specifieke wonder voorkomt zonder dat we naar bewijs kijken voor die ene gebeurtenis. Dus, als we gaan kijken naar de opstanding van Jezus is de a-priori kans de kans dat er überhaupt een mens opstaat uit de dood.

Conclusie

Wat we nu gaan doen is die twee kansen tegen elkaar afwegen: de kans dat er überhaupt een mens opstaat uit de dood, en het bewijs dat er is voor de opstanding van Jezus. Zoals Hume dat zo mooi heeft geformuleerd: Alleen als het een groter wonder is dat al het bewijs voor Jezus’ opstanding niet klopt dan dat Jezus daadwerkelijk uit de dood is opgestaan, alleen dan is het rationeel om de opstanding te geloven.

Let wel: we kunnen er niet een precies cijfer aan gaan hangen, maar een beetje een gevoel voor hoe hoog die kans zou kunnen zijn moeten we wel kunnen krijgen. Maar dit zorgt er natuurlijk wel voor dat er een stuk subjectiviteit in zo’n beoordeling zit, en dat twee verschillende mensen die hetzelfde bewijs zien toch tot tegengestelde conclusies komen. Dat gebeurt bijvoorbeeld ook bij jury-rechtspraak.

PS: Bayesiaanse statistiek kent “subjectieve kansen”, in tegenstelling tot de klassieke statistiek waarbij kansen worden geïnterpreteerd als frequenties (als je oneindig vaak met een dobbelsteen gooit, zul je in 1/6 van de gevallen een zes gooien). Dus, met subjectieve kansen zou je wel aan de opstanding een cijfertje kunnen hangen. Maar ik geloof dat de onzekerheid rond dat getalletje zo groot zal zijn dat het niet veel toegevoegde waarde heeft om dat te doen. Wat weer niet betekent dat ik Bayesiaans onzin vindt, in tegendeel,  half mijn proefschrift maakt gebruikt van Bayesiaanse statistiek.

Advertenties

4 reacties op “Opstanding: Hume over wonderen

  1. Enigzins offtopic, maar ook weer niet: een preek van de eerder geciteerde Leidse godsdienstwetenschapper Tromp. Of je het nu gelooft of niet, een preek op zijn tijd is altijd goed, en zeker een die kritiek op geloofsconstructies serieus neemt:

    http://magliano-tromp.weblog.leidenuniv.nl/

  2. He wat leuk die preek quinten. enigzins beschaamd kom ik erachter dat zelfs in die vrijzinnig-remonstrantse gemeente in gouda waarvan ik altijd het mijne dacht het toch wel om God gaat.
    Tromp lacht degenen die met hun verstand bedenken dit is niet meer van deze tijd een beetje uit in zijn preek. Dat vind ik op zich wel grappig en ik ben benieuwd wat bram daarvan vind. Maar hij zal toch ook niet willen betogen dat ‘je het maar gewoon moet geloven’?

  3. Hmmm… ik moest het even twee keer lezen voordat ik zijn punt een beetje doorhad. Als ik het nu goed begrijp probeert hij te zeggen dat de kritiek op de christelijke theologie faalt omdat die geen rekening houdt met de eeuwigheid:

    “Dat zou ik de wijsheid van het horloge willen noemen, met heel de diepgang van het bijbehorende mechanische wereldbeeld: zo plat als een dubbeltje; waanwijsheid, die wel kan aanwijzen waar het oude verhaal niet deugt, gemeten naar de zelf aangelegde standaard van de klok, maar niet kan zien waar ze zelf tekort schiet, geen oog heeft voor het blote feit dat het leven zelf niet klopt met de redelijke en gerechtvaardigde eisen die wij eraan stellen.”

    1. Zijn bekritisering van de kritiek op de theologie is niet echt inhoudelijk, hij noemt het alleen “zo plat als een dubbeltje” en klaar.
    2. Er zijn wel meer problemen dan alleen de chronologie die hij meteen beroep op de eeuwigheid probeert te weerleggen.

    Dus ja, wat kan ik hier van zeggen, ik kan er niet zo veel mee.

    Vervolgens nog wel een mooi verhaal over de menigte op palmpasen en goede vrijdag. Het kan dus nog steeds, een mooi verhaal uit de bijbel vertellen en toepassen op de dag van vandaag.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: