23 reacties

Het ontologisch godsbewijs

De eerste uit onze serie godsbewijzen waar we iets gedetailleerder naar gaan kijken is het ontologisch godsbewijs. Het ontologisch godsbewijs gaat terug naar Anselmus (1033-1109). Het probeert aan te tonen dat god per definitie moet bestaan:

  1. god is volmaakt goed;
  2. het is beter om te bestaan dan niet te bestaan;
  3. dus moet god bestaan, want als god niet zou bestaan zou god niet volmaakt goed zijn.

Dit lijkt voor niet-filosofen als ik misschien meer een spelletje met taal, maar dit argument wordt na bijna 1.000 jaar nog steeds wel gebruikt. De vraag is dus, klopt deze redenatie?

Als deze redenatie klopt, moet die in principe ook op andere dingen dan god van toepassing kunnen zijn. Als we vervolgens goed naar het argument kijken, blijkt dat het begrip volmaaktheid vooral belangrijk is. Dus, de redenatie zou ook voor andere dingen moeten werken die als volmaakt aan te merken zijn. Bijvoorbeeld, volmaakt slecht in plaats van volmaakt goed:

  1. satan (of geef een andere naam) is volmaakt slecht;
  2. door te bestaan kan satan meer kwaad doen dan door niet te bestaan;
  3. dus moet satan bestaan, want als satan niet zou bestaan zou satan niet volmaakt slecht zijn.

De redenering bij premisse 2 wijkt iets meer af van het godsbewijs, maar dat hoeft geen probleem te zijn. Dus als het ontologisch godsbewijs werkt, moet er ook een satan bestaan.

Tot zover geen probleem voor de christen, maar als we nog iets verder doorspitten komen we toch in de problemen:

  • als god volmaakt goed is, moet hij machtiger zijn dan satan.

Dit lijkt mij logisch, een god die machtiger is dan satan is beter dan een god die niet machtiger is dan satan, dus een volmaakt goede god moet wel machtiger zijn dan satan. Tot zover nog steeds geen probleem, maar hopelijk voelen jullie al wat er nu komen gaat:

  • als satan volmaakt slecht is, moet hij machtiger zijn dan god.

Volgens dezelfde redenatie dat god machtiger moet zijn dan satan, moet satan ook machtiger zijn dan god. Dit is een contradictie, en volgens een belangrijke wet van de logica die Aristoteles nog heeft verzonnen kan dit helemaal niet.

De conclusie hieruit is dat er iets niet klopt in de bovenstaande redenatie(s). Dat kan alleen maar betekenen dat het hele ontologisch godsbewijs niet klopt. Als de redenatie wel klopt, is de rest van wat we hebben gedaan ook goed. Maar dat kan niet omdat we op een tegenstrijdigheid stuiten.

Advertenties

23 reacties op “Het ontologisch godsbewijs

  1. Hoi Bram,

    Je gaat hier uit van het omgekeerd evenredige, en dat hoeft niet altijd te kloppen!
    Theologisch is er ook nog zoiets als de toelating door God van het kwaad, waaraan een einde gaat komen als het Koninkrijk daar is. Dan zal ook de dood teniet gedaan worden.
    Daarbij ga je uit van een bewijs dat door Anselmus in zijn tijd geleverd is: probeer je contextueel in zijn denklijnen te verplaatsen.

  2. Het enige dat ik heb proberen aan te tonen is dat het bewijs van Anselmus niet werkt. Het probleem van de Theodicee is een heel ander verhaal dat vast nog wel eens aan bod komt.

  3. mooimooimooi wat een leuke denkexercitie. Ik kan hier wel van genieten. zelf bedacht? Knap hoor! Ik heb dit ook nog gekregen op de opleiding. (bij kerkgeschiedenis, dat dan weer wel)

  4. Waar lang douchen al niet goed voor is;-)

  5. haha dan heb ik ook altijd de beste ideeen! 🙂

  6. He Bram,

    Leuk bedacht zo’n blog, wel een hoop werk. Voor de lezer dan he, voor jou is het natuurlijk een fluitje van een cent 🙂

    Ik heb nog wel iets te zeggen over contradicties: de wiskunde en natuurkunde barst ervan. De relativiteitstheorie stuit op een singulariteit tav het ontstaan van het heelal. Klopt hierdoor de relativiteitstheorie niet meer? Jawel, maar slechts tot aan het allereerste begin. De theorie dat alle zwanen wit zijn, wordt niet verworpen door de ontdekking van een zwarte zwaan, maar hoeft alleen maar aangepast te worden tot de theorie dat bijna alle zwanen wit zijn. Absolute waarheid is een illusie. De mens kan slechts waarnemen wat er waar te nemen valt. Of de dingen ook dingen-op-zich zijn of slechts verschijningen kunnen we uiteindelijk alleen maar over dromen. Ik denk dat Wittgenstein daar ook iets mee deed. “Filosofische onderzoekingen” staat hoog op mijn verlanglijstje!

  7. “absolute waarheid is een illusie”

    Misschien wel. Maar ik *geloof* dat er een absolute waarheid bestaat, het probleem is alleen om die te begrijpen en verklaren.

    In de wiskunde en natuurkunde komen inderdaad wel contradicties voor, maar dat betekent nog niet dat de werkelijkheid contradicties vertoont. Langzaamaan worden het er minder, komen er nieuwe, betere theorieën die de contradictie kunnen verklaren.

    Wittgenstein klinkt interessant, moet ik ook nog maar eens aan beginnen.

  8. De mens wil dat de werkelijkheid geen contradicties vertoont, de werkelijkheid heeft daar geen boodschap aan. Als wij een wet in de werkelijkheid ontdekken, wil dat nog niet zeggen dat de werkelijkheid zich daaraan moet houden. Misschien is de werkelijkheid als geheel ook wel aan evolutie en willekeurige veranderingen onderhevig en dus nooit volledig in absolute wetten te vangen.

    Bovendien, de logica heeft in zichzelf al het vermogen om op contradicties te stuiten (zie barbier van Sevilla-probleem en de verzamelingenleer). Aangezien taal uitwisseling van informatie is, kan dus ook taal op contradicties stuiten. Paradoxen zijn uitspraken die zowel waar als onwaar zijn en daarmee dus geen absolute waarheidsclaim kennen. Discussie over God en Duivel is zo’n paradox, die nog eens bemoeilijkt wordt door het taal-probleem dat God en Duivel woorden zijn voor verzamelingen van woorden. Ik vraag me af of je dan uberhaupt nog iets zinnigs hierover kunt zeggen, maar nu ben ik misschien zo extreem relativistisch dat het maar goed is dat ik niet meer uit de kerk geschopt kan worden 🙂

  9. “Als wij een wet in de werkelijkheid ontdekken, wil dat nog niet zeggen dat de werkelijkheid zich daaraan moet houden.”

    Nee, maar dat betekent dat de wet en de werkelijkheid niet volledig overeenkomen. Zo’n wet is een model, een versimpeling van de werkelijkheid.

    “Barbier van Sevilla”

    Russell was zelf ook behoorlijk ziek van zijn eigen paradox;-)

    “Discussie over God en Duivel is zo’n paradox… Ik vraag me af of je dan uberhaupt nog iets zinnigs hierover kunt zeggen”.

    Misschien heb je gelijk, maar dan ben je het in ieder geval met me eens dat het ontologisch godsbewijs niet werkt. En dat is het enige dat ik hier heb proberen aan te tonen.

  10. Nee, ik ben het niet met je eens, maar dat geeft ook niet, dat is nu precies mijn punt. Als er geen absolute waarheid bestaat, kan het ontologische godsbewijs zowel waar als onwaar zijn afhankelijk van de observator (relativiteit).

    Voor jou is het ontologische godsbewijs onwaar, voor een ander waar. Beiden hebben gelijk.

    Mijn advies is dan ook om je tijd niet teveel te verdoen met theorieën waar je het niet mee eens bent, maar om op zoek te gaan naar theorieën waar je het wel mee eens bent. Als dat buiten het christendom ligt dan moet dat maar. Waarom zou God alleen christenen een vorm van waarheid hebben meegegeven?

    groeten, H

  11. Is waarheid afhankelijk van de observator? Volgens mij niet. Het is wel mogelijk dat de observatie en de werkelijkheid niet overeenkomen, waardoor verschillende observatoren dus ook iets anders zien.

    Maar dat betekent nog niet dat de werkelijkheid die beide observatoren observeren ook wordt opgesplitst. Er blijft toch altijd maar één werkelijkheid?

    Dus als twee observatoren naar hetzelfde kijken en iets anders zien, betekent dat nog niet dat beide observaties overeenkomen met de werkelijkheid.

  12. Je gaat hier in op het ontologisch bewijs van Anselmus. Ik denk dat het niet geldig is, maar niet zozeer om de reden die jij geeft.
    Het argument van Alvin Plantinga is echter nog een stuk geavanceerder dan het argument van Anselmus, en hoewel ik nog steeds niet denk dat het geldig is, denk ik wel dat het lastig is om aan te geven waar het precies fout gaat.
    De vereenvoudigde weergave:

    1. God is een noodzakelijk wezen; (per definitie)
    dit houdt in dat als God mogelijkerwijs bestaat, hij noodzakelijk bestaat.
    2: Het is mogelijk dat God bestaat.
    3: God bestaat.

  13. Hallo Leo,
    Nu maak je me wel nieuwsgierig, waarom denk jij dat het bewijs van Anselmus niet geldig is?

    Plantinga moet ik eens aan beginnen, maar wat ik begrepen had geeft hij niet echt een godsbewijs. Zijn argument is meer dat *als* god bestaat, *dan* is god “properly basic”, wat iets wil zeggen als, dan heb je geen bewijzen nodig om in god te geloven of zoiets.

    Maar zoals gezegd, dit is van horen zeggen.

  14. Ha,

    ik denk dat het argument van Anselmus niet veel verder komt dan aan te tonen dat als God bestaat, hij noodzakelijk bestaat, dus voor zijn bestaan niet afhankelijk van iets anders. In die zin is het als argument niet heel erg waardevol, denk ik.

    Plantinga geeft in the nature of necessity wel een godsbewijs, namelijk de modale vorm van het ontologisch godsbewijs.
    In andere boeken (met name in Warranted Christian Belief en Faith and rationality) probeert hij inderdaad aan te tonen dat geloven in God zonder argumenten niet irrationeel is *als* God bestaat.
    Daarmee geeft hij overigens weer wel argument tegen naturalisme, omdat hij aantoont dat we geen kennis kunnen hebben als onze ‘cognitive faculties’ door natuurlijke selectie tot stand zijn gekomen, en dus op overleving en niet op waarheidsvorming gericht zijn.
    Plantinga moet je inderdaad eens lezen, hoewel ik het vaak niet met hem eens ben is hij toch een van de meest invloedrijke (christelijke) filosofen van deze tijd.

  15. Ha Bram,

    Ik denk eigenlijk, dat het hier fout gaat:

    ‘Als deze redenatie klopt, moet die in principe ook op andere dingen dan god van toepassing kunnen zijn.’

    God is, volgens de definitie van Anselmus ‘dat waarboven niets gedacht kan worden’. Daarom kan het ontologisch bewijs gebruik maken van ‘great making properties’, zoals (betwistbaar) bestaan.

    1. satan (of geef een andere naam) is volmaakt slecht;
    2. door te bestaan kan satan meer kwaad doen dan door niet te bestaan;
    3. dus moet satan bestaan, want als satan niet zou bestaan zou satan niet volmaakt slecht zijn.

    Hier zou ik zeggen, als je de lijn van het ontologisch bewijs volgt, dat satan niet kan bestaan.

    1. Satan is volmaakt slecht.
    2. Het is beter te bestaan dan om niet te bestaan.
    3. Satan bestaat niet.

    Bij het ontologisch Godsbewijs gaat het er niet zozeer om dat het goed is dat er een volmaakt wezen is, maar dat een volmaakt wezen per definitie de eigenschap van bestaan heeft, omdat bestaan een ‘great making property’ is.
    Het zelfde geldt denk ik voor het machtig zijn: een volmaakt slecht wezen kan per definitie niet (al)machtig zijn, waar een volmaakt goed wezen juist wel almachtig moet zijn.

    Overigens denk ik dat er ook nog wel een verschil zit tussen ‘goedheid’ en slechtheid’; ik denk (in de lijn van Augustinus) dat slechtheid een gebrek van het goede is, en dat goedheid dus wel op zichzelf kan staan, maar slechtheid niet.
    In dit (http://bearspace.baylor.edu/Alexander_Pruss/www/papers/LCA.html) artikel van Pruss wordt daar op ingegaan bij de discussie of de eerste oorzaak goed of slecht is, zie 5.3.

  16. Overigens heeft Graham Oppy in zijn geniale boek ‘arguing about Gods’ een bespreking van het ontologische bewijs met betrekking tot een volmaakt slecht wezen.

  17. Hallo Joost,
    Oppy staat al op mijn verlanglijstje, maar nu moet ik hem wel lezen. Bewijst ook eens te meer dat ieder goed idee al lang een keer door iemand anders verzonnen is;-)

    Jij betwist twee dingen in mijn verhaal van hierboven:

    ‘Als deze redenatie klopt, moet die in principe ook op andere dingen dan god van toepassing kunnen zijn.’

    Om dit te verduidelijken: belangrijk in de zin zijn de woorden in principe. Het is nog steeds mogelijk dat god zo anders is dan al het andere dat het daarom niet lukt om deze redenatie voor andere dingen in te zetten.

    Volgens mij ben je dat wel met me eens, want het tweede punt waar je mee komt is dat deze redenatie niet op Satan van toepassing is, zoals ik wel heb betoogt.

    Het wordt misschien een beetje een taalspelletje, maar mijn Satan is gedefinieerd als volmaakt slecht, en niet als volkomen mismaakt. Misschien is hij dan dus meer een “evil god” dan de bijbelse Satan. Volgens mij werkt het dan wel, omdat Satan ook volmaakt is, net als god, alleen heeft hij het slechte voor met mensen en niet het goede.

    Jij geeft al aan dat het aanvechtbaar is of bestaan een “great making property” is. De redenatie erachter is mijns inziens dat een volmaakt goede god die bestaat daadwerkelijk goed kan doen, en een volmaakt goede god die niet bestaat niet. Daarom is de bestaande volmaakt goede god nog beter dan de niet-bestaande.

    Evenwijdig aan deze redenatie zou de volmaakt slechte god dus ook moeten bestaan, omdat een bestaande slechte god meer kwaad kan aanrichten dan een niet-bestaande.

    Misschien moeten we maar concluderen dat je met het ontologisch godsbewijs alle kanten uit kan. Jij laat het bewijzen dat Satan niet bestaat, ik dat hij wel bestaat. Het argument is zo flexibel dat je misschien wel naar iedere conclusie wel kan toeredeneren.

  18. 1. god is volmaakt goed;
    2. het is beter om niet te bestaan dan te bestaan;
    3. dus moet god niet bestaan, want als god zou bestaan zou god niet volmaakt goed zijn.

    Eitje.

    Wie zegt namelijk dat het beter is om wel te bestaan dan niet te bestaan? Of:

    1. god is almachtig;
    2. het is machtiger om niet te bestaan dan te bestaan;
    3. dus moet god niet bestaan, want als god zou bestaan zou god niet volmaakt almachtig zijn.

    Ad infinitum.

  19. […] van het argument gebruik maakt van het bestaan van de wereld (of de kosmos of…). Alleen het ontologische argument doet dat helemaal niet, die maakt slechts gebruik van de definitie of het idee van […]

  20. […] uitspraak. Om vervolgens veel te kort door de bocht te gaan gebruikte hij een versie van het ontologisch godsbewijs om te bewijzen dat god bestond, en was het vervolgens logisch om aan te nemen dat die god hem met […]

  21. […] Het ontologisch godsbewijs; […]

  22. -Ontologisch bewijs voor het Absolute , vanuit het ‘absolute zijn’ zelf , dat men ‘god’kan noemen .

    -We moeten aannemen, dat alleen de eeuwige wetmatigheden van de logica, de wiskunde en andere natuurwetten het enige ‘zijn’ is, dat absoluut, noodzakelijk en logisch is ; terwijl al het overige contingent en niet-noodzakelijk is ; ook een persoonlijke god, indien hij zou bestaan, zou zich aan die absolute logica moeten onderwerpen, en is aldus zelf niet absoluut te noemen .
    -Als men aan een god het praedikaat ‘absoluut’ moet geven, dan kan alleen die absolute logica zelf god of het enige absolute ‘zijn’ zijn .
    -Men kan met Hegel zeggen, dat het enige zijn de ‘absolute idee’ in evolutie is . De absolute idee, die niet verstoken is van de werkelijkheid en ook niet van de rede verlaten is ( een andere Ideeën-wereld) …
    -Een absoluut logische vorm van bewustzijn of een nieuwe Logos’ …is de nieuwe god of het absolute zelf…; bewijs vanuit het absolute ‘zijn’ zelf …
    (idealisme, ietsisme, ideeën-leer)…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: